<< Apr 2016 >>
MaDiWoDoVrZaZo
        1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30  

maandag 04 april 2016 | 20:00 vertoning

locatie: OFFoff

Robert Breer & Pontus Hultén
Un Miracle SE, 1953, 30", kleur, 16mm

Pontus Hultén & Hans Nordenström
En dag i staden SE, 1956, 20', zwart-wit, 35mm

Carl Fredrik Reutersvärd
Försvinnaren SE, 1957, 3', 16mm

P.O. Ultvedt
Nära ögat SE, 1958, 4', zwart-wit, 16mm

Hans Nordenström
Untitled SE, 1950, 7', dvd

Gunvor Nelson
Kirsa Nicholina SE, 1969, 16', kleur, 16mm

Carl-Hendrik Svenstedt
Soundtrack SE, 1968, 14', kleur, 16mm

Gunvor Nelson
My Name is Oona SE, 1969, 10', kleur, digitaal

Claes Söderquist
Travelogue SE, 1969, 30', zwart-wit, 16mm

facebook

IN AANWEZIGHEID VAN JOHN SUNDHOLM 

Vanaf het voorjaar 2016 start OFFoff met een reeks over de Zweedse experimentele film. John Sundholm is departementshoofd en Professor Media- en Filmstudies aan de Universiteit van Stockholm. Daarnaast organiseert hij Avant, een festival voor experimentele en expanded film in Zweden. In het eerste deel van deze reeks worden de vroege jaren van de Zweedse experimentele film onderzocht; in volgende delen zullen de latere jaren bekeken worden en zal worden ingezoomd op het werk van Gunvor Nelson, die ook in dit deel al aan bod komt. Het eerste deel bestaat vooral uit experimentele animatie. De werken die Sundholm toont, zijn over het algemeen zeer zeldzame werken, die niet gedigitaliseerd zijn en zodoende nooit, of zeer zelden, in België vertoond werden. Deze vertoningen bieden dan ook de zeldzame kans om met deze ‘verborgen pareltjes’ en bij uitbreiding de Zweedse experimentele filmtraditie in contact te komen. John Sundholm zal de vertoningen inleiden en er is de mogelijkheid om met hem in gesprek te gaan.

De geschiedenis van de Zweedse experimentele film kan gezien worden als een verzameling van kleine onsamenhangende verhalen. Soms bracht dit belangrijke werken voort, zoals Viking Eggelings rudimentaire Symphonie Diagonale, of prominente experimentele filmmakers, zoals Gunvor Nelson. Toch was dit eerder uitzondering dan regel. Het is de internationale context die de bindende factor is in dit programma.

Zowel Pontus Hultén als Hans Nordenström woonden in het Parijs van de jaren 50. Hultén was kunststudent op het moment dat Nordenström architectuur studeerde. Hultén zou later uitgroeien tot de drijvende kracht achter het Museum van Hedendaagse Kunst in Stockholm – Moderna Museet (MM) – en is vooral bekend door zijn werk als curator bij MM in de jaren 60 en als de eerste directeur van het Centre Georges Pompidou. Hultén was in de eerste plaats een curator en producent. Het was dan ook vooral Nordenström die de films die ze samen maakten inblikte. In Parijs raakte Hultén bevriend met Robert Breer en Jean Tinguely, en richtte een centrum voor jonge Zweedse kunstenaars op. De zweden brachten tijd door aan de Cinémathèque, waar ze van de innovatieve kunstscène leerden dat vooral de veelgeprezen kine- tiek de avant-garde typeerde. Binnen deze context en met deze connecties werden een handvol films vervaardigd, waarvan de belangrijkste en origineelste in het programma zijn opgenomen. Heel wat van de werken werden in 1959 gescreend bij de inhuldiging van MM tijdens een avant-gardistisch filmfestival ter ere van Eggeling, met de toepasselijke naam Apropos Eggeling.

A Miracle (1953), van de hand van Breer en Hultén, is een anarchistisch juweeltje dat laat zien waarom Hultén en zijn vrienden zo gefascineerd waren door animatie. De camera was voor hen een apparaat voor metamorfose en uitvinding. Paus Pius XII jongleert met ballen, dan met zijn hoofd en verandert tenslotte in een engel die vertrekt naar het Paradijs. Zonder armen. Een vroege demonstratie van Breers dadaïstische humor.

En dag i staden (Een Dag in de Stad, 1956) is de bekendste film van Hultén & Nordenström. Ze maakten deze samen met Gösta Winberg, een bevriend architect, terwijl kunstenaars en collega’s als PO Ultvedt en Jean Tinguely het acteerwerk voor hun rekening namen. De film is een vrolijke dadaïstische aanval op Stockholm en haar instellingen. Zo wordt het Koninklijk Paleis en het Nationaal Museum in brand gestoken, met gebruik van verschillende filmmontagetechnieken. Live-action animatie en een rudimentaire verhaallijn, als hommage aan de latere filmkomedies.

Met Försvinnaren (De man die verdwijnt, 1957) maakte Carl-Fredrik Reuterswärd, die als tiener in Parijs arriveerde en later student werd van Fernand Léger, een zeldzame vroege conceptuele animatie. We volgen een duister karakter dat gevangen zit binnen het frame van het scherm, maar er in slaagt te ontsnappen en daarbij gevolgd wordt door onleesbare tekens. In Nära ögat (Dicht bij het oog, 1958), gebruikte PO Ultvedt zelf gecreëerde animatietechnieken. Ultvedt stuurt geometrische vormen en figuren samen met een stereo soundtrack, die gedeeltelijk werd opgenomen aan de keukentafel van zijn familie, op avontuur. Nordenströms schijnbaar onvoltooide film over Stockholm is de laatste film in de reeks van de jaren 50 en kwam voort uit de cinefiele cultuur van Parijs en de esthetiek van de kinetiek. Deze film
die nooit vertoond werd, is deels een homemovie, deels een eerbetoon aan zijn vriendschap met Hultén, en deels een weergave van dat Stockholm waarmee Nordenström een haat-liefderelatie had. Maar bovenal is de film een oprecht on- derzoek naar filmtaal en filmesthetiek.

In de jaren 60 bereikte de Amerikaanse avant-garde film Zweden, waarna er een aantal screenings volgden bij MM in Stockholm. Deze vertoningen maakten een enorme indruk op jonge filmmakers en kunstenaars, die het tot dan niet voor mogelijk hielden dat de film tot een persoonlijk visionair medium verheven kon worden. Claes Söderquist en Carl-Henrik Svenstedt zijn twee filmmakers die het belang van de Amerikaanse films aan den lijve ondervonden. Een andere baanbrekende cineaste met eenzelfde ervaring, maar dan vanop op de eerste rij in San Francisco Bay Area, was Gunvor Nelson, die toen getrouwd was met Robert Nelson. Zowel Söderquist als Svenstedt benaderden de Nelsons, en Söderquist bezocht zelfs hun huis in Muir Beach. Geïnspireerd door het Amerikaans model, richtte Svenstedt Zwedens eerste Cooperative, het FilmCentrum, op. Söderquist langs de andere kant, werd een belangrijk curator en drijvende kracht achter Filmform, de Zweedse nationale distributeur en het archief van films en video’s van Zweedse kunstenaars.

De films uit de jaren ’60 zijn allemaal in de Verenigde Staten gerealiseerd. Kirsa Nicholina (1969) is een eenvoudige documentatie van een thuisbevalling. Het werk is zelden vertoond, maar is zeer interessant vanwege zijn positie op het snijvlak van politieke utopie en de expressieve kracht van de Amerikaanse avant-gardecinema. Tegelijkertijd getuigt de film van Nelsons filmische vaardigheden en zijn afstandelijke houding tot het onderwerp. Svenstedts Soundtrack (1968) is een weergave van hetzelfde Amerika, maar de nadruk ligt op de botsing tussen radicale utopieën en het consumenten- kapitalisme. Söderquists Travelogue (1969) is een voorstelling van een handvol hedendaagse Amerikaanse kunstenaars, van New York tot San Francisco, gaande van Alfred Leslie tot Robert Nelson, die allen voorkomen in de film.

Zowel Söderquist als Svenstedt observeerden soortgelijke zaken, maar waar de eerste eerder geïnteresseerd was in het landschap, ging de aandacht van laatstgenoemde meer naar de mogelijkheden van een expressionistische esthetiek. Tussen deze twee weergaven van het moderne Amerika verscheen Nelsons geprezen My Name is Oona (1969). De mannelijke blik van Svenstedt en Söderquist werd aangevuld met een gevoeligheid die het niet nalaat om controle te mengen met vrijheid, schoonheid met angst, hoop met bezorgdheid, dit alles weergegeven in een opmerkelijke voorstelling van het universum van een kind, waarin al deze parallelle werelden op hetzelfde moment aanwezig zijn.
De ritmische herhaling van ‘
Oona’ gaat van de vreugde van het ontdekken van de muzikale aspecten van alledaagse taal, tot de dreiging en de implicaties van macht. 

trefwoorden

jaren 1950 | jaren 1960